Roman: Hecht!

Al zestien jaar heb ik een knipperlichtrelatie met mijn roman. Drie keer herschreef ik het hele verhaal. Vaker ontkende ik het bestaan ervan. Mijn leven gijzelde mijn aandacht met zaken die haaks stonden op het haast heilige werken aan iets wat zo diep uit mezelf komt als dit boek. Intussen publiceerde ik wel twee non-fictie boeken. Non-fictie schrijven vergt, van mij in ieder geval, een andere energie dan fictie. Dus dat lukte nog net naast werken en studeren.

Van mijn roman schreef ik tot nu toe drie versies. De rode draad bleef echter altijd hetzelfde. Mijn hoofdpersoon maakt in iedere versie dezelfde ontwikkeling mee, maar het decor wisselt, net als de toon. Je zou het kunnen vergelijken met een muziekstuk dat je anders kunt arrangeren waardoor het in de basis nog wel hetzelfde stuk is maar toch volkomen anders klinkt (en is). Helaas had ik mijn hoofdpersoon met nogal wat slechte arrangementen opgescheept, waardoor ze al jaren in de kast lag als een slapende Sneeuwwitje. Onvindbaar voor welke prins dan ook.

Versie 1 van mijn roman schreef ik rond mijn dertigste. De woorden zwommen praktisch van de pagina’s af in de kolkende maalstroom van de tranen van mijn personages – als die tenminste niet aan het zuchten, piekeren, of twijfelen waren. De gemiddelde soap verbleekte erbij. Geruisloos voerde ik het manuscript af naar de onderste plank in een donkere kast.

Versie 2 maakte ik een paar jaar later en daarvoor schakelde ik een redacteur in. Die zei: ‘Maak er een thriller van, dat verkoopt het beste, literatuur is kansloos in deze markt.’ Die man zou het wel weten. Hij was immers redacteur. Ik ben er niet trots op, maar braaf liet ik het bloed van de pagina’s spatten, vloog een psychopaat in en verraadde mijn literaire ambities. Het werd nog best aardig ook, maar voor mij sloeg het nergens op. Terug de kast in, die 250 pagina’s ellende.

Versie 3 zag het daglicht toen ik achter in de dertig was. Deze keer had ik een ├ęcht goede erkende schrijfcoach om hulp gevraagd. Zij begeleidde me intensief en van haar leerde ik werkelijk schrijven. Mijn vriend las intensief mee en spoorde me aan om door te gaan. Dankzij hem hield ik vol en werd het een steeds beter verhaal. Ook andere mensen die ik liet meelezen vonden het goed dus leek het tijd om een uitgever te zoeken. Een van de uitgevers zei dat ze het wel een kans had willen geven als ze niet toevallig net een soortgelijk manuscript in hun fonds hadden opgenomen en als er minder dialoog in had gestaan. Nu is dat al extreem veel lof om van een uitgever te krijgen, in een wereld waarin je haast geen boek krijgt uitgegeven via het reguliere circuit, dus ik was hartstikke blij. Maar het was nog steeds een thriller. En ik wilde helemaal geen thriller schrijven. Dus begroef ik mijn boek maar weer.

Er waren momenten waarop ik overwoog om Sneeuwwitjes prinses te zijn, maar wat had ik haar te bieden? Niet nog eens kon ik haar opschepen met een onbevredigende context. Dat veranderde een paar dagen geleden.

Het kwam door iets wat een vriendin tegen me zei. Door wat ze zei voelde ik ineens het bestaansrecht van mijn boek. Het waren niet alleen maar de feitelijke gebeurtenissen in mijn leven die maakten dat ik geen ruimte had om te schrijven. Het lag vooral ook aan mij: ik vond mijn schrijven niet belangrijk genoeg om vaak genoeg ‘nee’ te zeggen tegen dingen die dat in de weg stonden.

Veel van wat ik doe – denk aan werk en studie – heeft een totaal andere energie dan de energie die ik voor schrijven nodig heb. Maar ik heb iets ontdekt. Sinds enige tijd zing ik weer en speel ik piano. Als ik dat eerst doe en daarna ga schrijven, dan lukt het schrijven wel. En als ik dan daarna weer muziek maak, gaat ook dat weer beter. Het is een soort omgekeerd domino-effect met steentjes die elkaar niet omver werpen, maar omhoog liften.

Kort geleden heb ik Sneeuwwitje wakker gekust en zo ontstond het begin van Versie 4 van mijn roman. De laatste versie wat mij betreft. Geen concessies meer. Ik heb, zoals het gelijknamige boek van mijn schrijfgoeroe Julia Cameron, The right to write! Laat ik dat dan nu maar eens omarmen.